215
tje. Wij gebruiken de zalfkist weinig, soms een pleister of een beetje Haarlemmerolie, maar anders niet. Vis-schers worden niet ziek.”
Herman nam liet papiertje uit de kist. Dat was met oude letter in de oude spelling gedrukt en scheen uit een vorige eeuw te dateeren. Het was een vrij goede huisapotheek en de drankjes en fleschjes waren in orde en welgevuld. Op al de fleschjes en pakjes stonden nummers, en op het papier kon men nazien, welk geneesmiddel er in was en hoe en waarvoor het aan te wenden. Daar waren bovist om bloed te stelpen; aluin voor scheurbuik en keelpijn; cremortart, bloedzuiverend; laxeerpillen; borstpillen; welriekende balsem, „wanneer men pijn heeft, die uit gevatte koude is ontstaan, wrijve men hiermede de aangedane deelen 2 tot 3 maal daags en omwikkele dezelve met flanel of baai”; Ita-liaansche wondbalsem — „goed middel tegen versche wonden”; doorgaande zalf — „bij verrekkingen of kneuzingen mee te wrijven.” Daar was ook de bruine zalf no. 12 en het papiertje onderrichtte: „No. 12, Troost der armen, wanneer men zich inwendig gekneusd heeft, zoo neme men driemaal daags een stukje, ter grootte van een muscaatnoot. Dezelve is een zeer verzachtend middel voor wonden, voor schrale en gekloofde lippen en voor springende handen”; basilicum of wiekzalf, „dient tot zuivering van vuile zweren.” Daar waren nog tal van zalven, vlier en kamille, papkruiden, koortspillen, Haarlemmerolie, wonderolie, maagelixer, lood-azijn en ruw carbolzuur, deze beide laatsten zonder percentage opgave, — het was een verzameling van huismiddeltjes, goede medicamenten en kwakzalverij.
Herman stond in heraad wat te doen. Hij dacht aan