213
„Ik krijg een mes, een mes met een schee,” riep Maarten verheugd, ronddansend en in zijn overmoed trachtend te stoeien met Jan. Maar deze, bestraffend:
„Ben je ’tnou al vergeten?”
„O, ja”, zei Maarten, plotseling ernstig, turend naar de kim. Dan, met bezorgde, gezichtjes, deden ze hun werk, stil, telkens met een ruk de ingewanden der haringen overboord werpend, als kleine oude mannetjes, die den ernst des levens reeds kenden.
Herman ging naar de kippebank, haalde een stuk kaak uit de ton en knabbelde het op. Hij vulde het blikje met bier en deed zijn maal, want de zeelucht had hem hongerig gemaakt. En na de eerste kaak volgde een tweede en daarna nog een stuk. Maar toen kreeg hij hevige maagpijn. De maag, verzwakt door de zeeziekte en de ongewone, ongeregelde levenswijs, kon die massa droge beschuit niet verdragen. Hij ging languit op het dek liggen, kreunend, met een vol overkropt gevoel in zijn maag en telkens een krampstoot pijnlijk daartusschen. Zóó bleef hij een paar uur liggen. De jongens, gewoon aan zijn zeeziekte, hielden zich stil op ’t achterdek.
Herman was vreeselijk beangst. Indien hij hier eens een maagkoliek kreeg of een ernstige zeeziekte. Wie zou hem helpen ? Een dokter was er niet aan boord: de Argus, het oorlogsschip ter bescherming der visschers, waar geneeskundige hulp te vinden kon zijn, kwam nooit in ’t gezicht. Wat deden de visschers als ze ziek werden ? Ze moesten soms in den mast klimmen bij ’t opzetten van zeilen, zij heschen zware vaten in en uit het ruim — als er eens een viel en een been brak — zooals Jantje gevreesd had? Wie zou hem helpen? En