212
ook varen. Als ik een dag op den wal ben, dan heb ik er al genoeg van. Dit is nou mijn derde reis. Ik zou nog liever altijd op een schip zijn, dan altijd aan den wal. En als je grutter ben, dan lachen ze je thuis nog maar uit ook — nou is ’t een mooi zeetje, hè? Wil je eens zien wat ik durf?”
Hij wierp zijn klompen uit, sprong bij de weeflijnen van den fokkemast op de verschansing en klom tot boven in den mast. Daar, met zijn armen los, zich steunend met de beenen, zwaaide hij mede met de slingering van den masttop, en wuifde Herman toe met zijn oud zuidwestertje.
„Ik kan het ook,” zei Jan. „Maar het dient tot niets. Als je hier aan boord valt en een gebroken been krijgt, is er geen meester en niemand kan je helpen voor dat je thuis bent en dan ben je al gestorven, of de meesters kunnen je been niet meer maken.”
Maarten gleed langs de weeflijnen naar beneden.
„Je vroeg mij vannacht om mijn mes. Hadt je het jouwe vergeten ?”
„Neen, ik heb geen mes en Jan ook niet,” zei Maarten.
„Dan krijgen jelui er allebei een van mij als we aan den wal komen.”
„Een echt zeemansmes, mijnheer ?” vroeg Maarten verheugd.
„Zeker.”
„Met een leeren schee?”
„Met een leeren schee."
„Eu een koperbeslaggie en een ankertje er op?”
„Jullui moogt het zelf uitzoeken.”