210
„Nou, onze schipper,” riep Maarten, „die ken brieven schrijven !”
„Zal je je mond wel eens houden !” zei de schipper gevleid, zijn pruim van verlegenheid in zijn mond omgooiend en kleurend tot achter zijn ooren en met een leuk knipje van zijn oogen Maarten met zijn klomp zachtjes onder zijn broek schoppend.
„Zoo mooi is het niet, Cheffie, want zie je, toen ik negen jaar was, heeft de meester mij van school geschopt omdat ik te ondeugend was — daar heb ik later wat spijt van gehad ; toen ik in dienst kwam, heb ik eerst goed schrijven geleerd. De sergeant had altijd pret in mij.
„Jan,” zee die tegen me, „Jan, als jij geleerd hadt, zou je profester zijn geworden, want je hebt een open hoofd.” En de kapitein had ook schik in mij en hij benoemde mij tot zijn oppasser. Dat was een goed leven. Ik was al dadelijk maatjes met de keukenmeid, ik beloofde d’r altijd maar Zondag met d’r uit te gaan en ik kneep ’r is. Dan had ik het goed de heele week — ik dronk wijn als water en ik at vleesch, tot ik niet meer kon.”
„En ging je dan Zondag’s met ’r uit ?”
„Wel neen, ’k had al verkeering met mijn vrouw en die wou ’t niet. Dan smeerde ik ’m Zondags. Maandag had ik ’t dan slecht; maar Dinsdag kneep ik ’r maar weer eens en ik had een mooi smoesje aan mijn rug hangen en Woensdagavond rookte ik al weer segaartjes met bandjes er om en ik dronk een staartje wijn op. D’r waren meer staartjes wijn in huis dan heele flesschen, zoolang ik ’r was. Dat was een goed leventje, Cheffie.”