209
gulden voor elke beugreis. Wij zoo wat een dikke zes gulden in ’tjaar. Daar krijgen de vrouwen en de kinderen wat van en soms ook de ouders, als de verdronkene een kostwinner was. En als je vijf-en-zestig jaar bent en je hebt tien jaar lang betaald, dan krijg je ook uitkeering. Maar wie wordt er nou van ons vijf-en-zestig jaar. Dat zijn 'r maar weinig. Maar het fonds wil wel, maar het kan niet, zie je. ’tls te arm. D’r moet zooveel af; daar bad je de ramp van de Cornelia en van De Rijn; die zijn gebleven met vier- en twintig man. Toen bleven d’r dertien weduwen en vijf-en-twintig kinderen zitten. D’r kwamen in vier jaar tijds in Vlaardingen 54 weduwen en G8 weezen — dat is een slag voor het fonds. De rijkdom, die de visch lust en ’s morgens smult aan kabeljauw en schellevisch moest meer aan dat fonds denken. Dan zouden ze eens kunnen zien of ze niet méér konden geven. Want d’r zitten ook schippers in’t bestuur en die weten wel wat noodig is — al zeggen ze ’t niet altijd. Want zie je, mijnheer, als ze veel zouden zeggen, dan kunnen de boekhouders kwaad worden, want die zijn natuurlijk patroons en die hebben bet meeste te vertellen en dat is recht zóó, want wat heeft een visscher nou voor verstand tegenover een boekhouder, die altijd op school gegaan heeft en die Fransch en Engelsch spreken kan ; d’r zijn er wel die spreken latijn als water. *)
„Maar onder de schippers zijn ook wel gladde jon-jens,” zei een der visschers.
1) Steven bedoelt de „Vereeniging tot oprichting en instandhouding van het Visschers WTeduwen- en Weezenfonds," te Vlaardingen voorzitter A. Knottenbelt, secretaris D. O. Leis.
Een Droomer ter Haringvangst. H