208
schappij is van groote margarine fabriekanten — die hebben er een hoop briefjes in — en daar komt het op een vaatje boter niet an — vat je. ’t Is bier een best schip.”
Uit bet vooronder kwamen Aai en Hein, de twee jongste matrozen. Hein droeg een klein vierkant kistje, groen geverfd. Hij zette het op het dek en sloeg het deksel open. Herman, de kok en de jongens kwamen kijken.
„Het stoppekissie van Gerrit, mijnbeer. We zullen het schoonmaken en wegzetten voor zijn moeder.”
Herman keek er in. Daar lag een zakj e met tabak, een zakje met suiker, een zakje met koekjes, een paar touwtjes, een kaakmesje en een oude portemonnaie. In bet bakje boven, een paar naalden, een klosje garen, een koper ankertje van een pet en twee sigaren, die Herman hem had geschonken. Dat waren zijn particuliere bezittingen.
Het kwam Herman tot de keel — bij ging weg naar de kippebank om alleen te zijn. Maar de visschers hadden behoefte om veel over den doode te spreken. Een paar kwamen naar hem toe.
„Nou krijgt zijn moeder uit bet begrafenisfonds geld, maar ze hoeft hem niet te laten begraven. En een zerkie hoeft-ie ook niet te hebben.”
„Neen, jelui vragen ook na jelui dood niet veel. Maar als nu eens een getrouwd man verdrinkt, wie zorgt dan voor de weduwe en de kinderen?”
„D’r is een visschers weduwen en weezenfonds. Daar betalen alle boekhouders aan en alle visschers, de boekhouders twee guldens voor elke haringreis en een