206
het goede, eenvoudige kind uit zijn jeugd. Weg dat handige, mordaine, koude, zich verwerende egoïsme, dat Berlijn vooral hem geleerd had. Daar, in dat groote mensch-krioelnest, daar beefde alles tegen elkaar in. Men was op zijn hoede, loerde op eikaars zwakheden om er gebruik van te maken; en in de gezelschappen en op de bals, daar was het altijd een verstoken tour-nooi van mensch tegen mensch. En in den handel en in de industrie en in het leger en in de beambtenwereld — daar werd niet getreurd over een doode door de collega’s. Daar gaf een doode een ruimte, een plaatsje voor den volgende die er azend op gewacht had, een opschuiving — maar hier op ’t schip, daar bleef een mensch een mensch, een leven telde zijn gouden gewicht, een man minder, dat was niet alleen een werkkracht minder, maar een kameraad, een lotgenoot, een helper. Men leefde hier trouw en stil met elkaar, een kleine maatschappij met getelde leden, waarvan men er geen wilde missen. En hier ging de smartkreet niet verloren van den stervende — zij leefde 11a in de menschgemoederen. De treurnis hing langs de touwen en om de mast en in de sfeer. De lucht bloosde rood en de zon schemerde schreiend over de zilveren schat, zoo duur gekocht en tot de wiekende vogels in de lucht riepen den naam van den verlorene.
O, dat laffe cynisme uit de groote steden — dat schouderophalen bij de smart van anderen — dat de volkziel doodde — hij haatte het nu. Het was zoo makkelijk koud te zijn bij anderer leed, hoog te doen, aristocratisch philosofiën uit te vinden — maar Piet had gelijk. „Als jij eens overboord viel en ik stond voor je en ik kon je redden?”