205
had hij een touwtje gebonden en zoo kon hij ’t zelf overboord in zee telkens na gebruik schoon spoelen.
De visschers gingen naar ’t vooronder en verdwenen in de kap ; de jongens ook.
„Wat moeten jelui beneden?” vroeg een der matrozen, omkijkend in de kap.
„We maggen”, zei Maarten. „De schipper heit ge-zeid, dat we na het ongeluk de heele reis beneden mogen eten.”
Herman, die in ’t vooronder altijd ziek werd, bleef alleen op ’t dek. Hij gaf zijn pannetje aan en kreeg het met bruine boenen gevuld terug uit het gat van de kap.
Hij ging met zijn potje naar het achterdek op de kippebank en wilde eten. Maar hij voelde dat er iets in zijn keel kropte — een groot verdriet — een gevoel van armoede, van minderwaardigheid. Zoo, met dat zelf gespoelde pannetje met bruine boonen voor zich, voelde hij zich vernederd, hij dacht aan koetsiers, die hij dikwijls zoo, half in hun rijtuig zittend, met het portier open en de beenen op het optreedje, haastig hun eten had zien naar binnenschrokken. Maar dat was het niet.
Piet was beter geweest dan hij — die eenvoudige matroos had hem in een hoekje gezet — hem met al zijn opvoeding en doorgelezen boekjes-wijsheid. Het was gelukkig, dat Piet de sigaar had aangenomen — anders had hij hem niet meer durven aanzien, den heelen dag niet.
Herman kon niet eten; hij zette het pannetje van zich af en begon zachtjes te schreien. Dat maakte hem lichter, dat verruimde hem. Hij voelde zich weer