204
hangt-ie twee ballen uit den toren. Als nou je moeder of je vader aan den wal staan te wachten, denken ze dat jij ’tbent en dan zullen die niet zeggen „Jonggestorven, vroeg bij God.” Als je zoo spreekt, hou ik niks van je — dan ben je al net zoo als de andere rijkdom — een arme visscber is maar een half mensch als die verz...pt, is het niet erg. Maar als ze zelf naar den kelder moeten, dan roepen ze den hemel en de hel te gelijk te hulp.”
Herman droop af. Piet had gelijk — hij voelde zich de mindere van dien eenvoudigen, ongel eerden vis-scher, die alleen met zijn primitief hart voelde en niet als hij, allerlei begrippen en begripjes opstelde als kaartenhuisjes om van dat lastige medelijden af te zijn — dat hem hinderde in de rust en het gemak van zijn eigen leven, dat hem zoo lief was.
Herman ging naar den visscher toe, die naar den einder stond te turen, in gedachten verdiept.
„Wil je een sigaar, Piet?” zei hij, hem zijn koker aanbiedend.
„Als je blieft, mijnheer. Dank u.”
Dat viel hem tegen. Het zou hem goed gedaan hebben als Piet ze hem gramstorig geweigerd had. Maar vroeg hij niet te veel van den matroos, die toch altijd in hem den rijkdom, den meerdere, den mijnheer bleef zien, en niet zooals hij zou gedaan hebben, de gevoelens uitrafelde als een professor de weefsels van een lijk in de snijkamer.
Het was schaftuur. Men ging naar ’t vooronder. Herman had van den schipper een blauw geëmailleerd pannetje gekregen. Het eenigste aan boord. Daaraan