203
„Zoo, nu heb ik toch niet gelogen. Cheffie”, zei de schipper, zijn roeper wegbergend in de kap van de kajuit.
„Zeggen jelui altijd de waarheid als je malkaar praait. En geef je nooit een grootere vangst op dan je hebt? Of een kleinere — als je op een goede plaats ligt?”
„Neen, waarvoor zou dat dienen. Je vangst is om-mers toch maar geluk.”
De schipper ging weer voor de kaakmandjes zitten.
Herman bleef nog wat staan kijken. Toen, als men bedrukt voortwerkte, verveelde hij zich en ging naar de kippebank en haalde uit de zak van zijn jekker de Anabasis van Xenophon, waarin hij begon te lezen. Dat gaf hem rust; hij vergat, opgaande in zijn lectuur, de bedruktheid om hem heen. En na een paar uur, toen het kaken geëindigd was en de visschers het dek schoonmaakten, telkens weer sprekend over den verdronken jongen, vond hij dat vele klagen en die groote droefheid klein.
„Jelui zijn toch wat te bedroefd, Piet. De jongen is weg — wie weet of hij nu niet gelukkiger is dan hier — hij was toch altijd ziek. Jong gestorven, vroeg bij God.”
„Dat is alles goed en wel, mijnheer. Maar ieder houdt toch van zijn leven. Zou je ook zoo spreken als je zelf in zee lag en ik stak je een haringschep toe? Of zou je moeder dat ook zeggen, als ze hoorde dat u overboord was geslagen? Je mag maar hopen, dat de schipper gauw een brief wegkrijgt. Want als we binnenloopen met het wimpeltje neer en devlaghalf-stoks, dan meldt de torenkijker in Vlaardingen een half uur voor je binnen bent al, dat er een overboord is gevallen. Dat kan-ie aan ’t wimpeltje zien en dan