196
Maar Herman bleef een menschje, ondanks alles. Als de natuur dan niet naar menschelijke gevoelens handelde en voelde, hij wèl. En liij begon te weenen, eerst zachtjes en dan, als de schipper kwam, lag hij te snikken, met groote smartsnikken van binnen uit de borst. En hij voelde opeens, dat het hem goed deed weer eens te kunnen weenen, eenvoudig en kinderlijk weg, geheel zich gevend aan zijn smart. Het was verkeerd om tegen de góden te strijden — zijn drift tegen het lot, dat eerst was onwijsgeerig en klein, en geheel deemoedig tot den schipper:
„Als je morgen bidt, schipper, bidt dan ook maar eens voor mij.”
De schipper, zelf suf in zijn leed, begreep hem maar half en ging zwijgend naar boven. Herman bleef liggen schreien, denkend aan den verdronken Gerrit, soms, ondanks de pal en de machine, even insluimerend, maar dan weer opschrikkend, meenend opnieuw den angstuitroep te hebben gehoord van den verschrikten Maarten: „Schipper, Gerrit ligt overboord!” En dan wentelde hij zich om en om in zijn schommelend kooitje, verwonderd over zichzelf, dat hij juist als de visschers bang was geweest voor de zee, voor zijn leven, en de angst hem zwak had gemaakt, hem had gebroken, en had leeren bidden.