195
mans drift bedaarde. Was hij niet met zijn ijdel verweer, zijn drift, een klein belachelijk menschje naast deze deemoedigen, die van de smart iets hoogers leerden dan hij, tegen dien stommen, sterken storm, die om geen mensch zich bekommerde. En toen de schipper terug kwam, lag Herman te snikken. Hij weende en hij was blij dat hij ’t kon. Het was een lange strijd geweest, hij had gemeend dat hij 't nooit meer zou doen, weenen om mensch verdriet. Hij had immers zooveel leed gezien — mijnwerkers, gebrekkige kinderen, ’s avonds laat, bij vriezend weer, bedelend voor de poort van uitgaande opera’s, nachtasylen van ’t Leger des Heils, waar de ellendigen bij twintigtallen ronkend lagen op de ruwe planken vloer, ziekenzalen, de morgue met het lijk van een zwangere vrouw, die zich uit wanhoop had verdronken — hij kon tegen het leed, dacht hij; zijn philosofie was daartegen bestand — de natuur was zichzelve, wreed, meedoogen-loos, levend naar andere, wetten dan het men-schelijk-goede en menschelijk-rechtvaardige. Had zij medelijden met de duizende eikels, die te vergeefs van den boom vielen en nooit een eik werden? Of mot het lijden van’ de paarden, of ossen, of ezels? Of met de stervende haringen? Zou ze het dan hebben met al die milioenen, die schrikkelijk wreede menschen-levens leden ? Zij zorgde immers, dat er enkelen waren die wel tot eiken groeiden, enkelen die ze alles had gegeven, als wilde zij toonen hoe liefderijk zij kon zijn. En was het niet goed, dat slechts die enkelen bleven en al het andere wegging, niet langer tegengehouden door medelijden, dat ten slotte niet het schoone leven maar 's levens ellende hielp om te blijven voortbestaan?