190
„Zijn moeder, zijn moedertje," en snikkend ging het kind weer zitten op het kleine bankje bij den spil van de lier en trok met zijn dikke handjes de reep in ’t ruim, waar in het olielicht Maarten schreiend zat, zijn bolle handjes om den natten reepkabel, die hij van despil inpalmde. De schipper lichtte het hefboompje op — de pal tikte weer eentonig een paar slagen, de spil draaide een halven slag om zijn as. Op het middendek in den goudscliemer trokken de wantstaanders het net weer een paar palmen in, en sloegen het uit. Herman zag de zilveren haringen in den lichtschemer, met de slanke lijven zich krommen in de mazen van het net, hoorde dan het zwiepen van de op- en neer-geschudde vleet en het nattig, plakkerig kletteren van de uitgeschudde, vallende haring, waarvan enkele hoogop sprongen en bij hem op ’t achterdek met een pats neervielen, opspartelend met de kieuwen, lillend — een zilveren schemer in het halfduister.
De pal sloeg zijn kleine tikjes geregeld als een metronoom op het ijzeren tandrad — de vangst ging voort, schijnbaar alsof er niets gebeurd was. Want allen waren stil — alleen de korte snikjes van Jan in het reepruim en Maarten bij de spil.
Herman keek naar de woeste, donkere zee; de maan was doorgebroken en glom blauwig met scliilverend licht langs de hooge, opschuimende golven, die tegen de verschansing te pletter slaande in een fijne regen over het dek stuifden. Hij zag de blaasjes van het schuim als nijdige oogjes, nu voldaan, na hun satanisch werk, verlangend naar meer van dat wreed genot, een mensclienleven te verslinden. En hij werd bang, week terug naar de donkey, waar hij naast den schip-