Een droomer ter haringvangst

Titel
Een droomer ter haringvangst

Jaar
1894

Pagina's
276



188

De schipper vloog naar boven ; Herman zag hem als een schaduw voorbij den wand schuiven, tegen het trapje op.

Herman sprong met een ruk uit zijn kooi. Hij trok zijn pantoffels aan, gooide zijn jekker om de schouders en snelde den schipper na.

Boven op ’t dek was het donker — de wind gierde, de lucht was geheel bewolkt.

Jan kwam naar hem toe, huilend.

„O, mijnheer, heeft u een mes. Gerrit leit overboord.”

„Waar ?”

„Vóór, bij de kluis.”

Vóór, op het dek, zag Herman in het vage licht van de lantaarn een paar gestalten en hoorde roepen.

Herman wilde naar voren om ter hulp te snellen. Maar hij kon niet loopen op het slingerende schip, welks middendek versperd was door de haringnetten. Hij kon ook niet door het ruwe weder terzij langs de krebben klauteren, daar hij dan groot gevaar liep zelf overboord te slaan.

Zoo stond hij machteloos bij Maarten, en Jan, de twee jongens en den kok, die op de stoomlier pastte.

„Als ik maar een mes had,” jammerde Jan, „ach, ach!”

„Gerrit verdrinkt, mijnheer.”

„O, o, lieve Gerrit, lieve Gerrit,” huilde Maarten, met groote tranen in zijn oogen.

„Wat zal zijn moeder zeggen . . . zijn moeder, o, zijn moeder,” huilde Jan. „O, mijnheer, is het niet erg, moeten we daar nu zoo staan, o, mijnheer, och, helpt u hem.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.