183
„Wil je er misschien een beetje azijn over. De rijkdom eet gebakken visch altijd met azijn. Maar dat is niet je ware, dat maakt ze schraal.”
„Heb je een kommetje ?” vroeg Herman.
„Sil ve plait mesjeu,” zei Kokkie, een koffie-kom uit een hoek halend. Hij legde de haring er in en goot er een beetje azijn op.
„Heb je ’tniet goed bij mij? En morgen bak ik pannekoeken voor je.”
Herman nam het kommetje aan, prikte een stukje visch van de graat en at bet op. Het smaakte goed, juist als gebakken bokking en hij zei dat. Maar dit wekte ongenoegen.
„Bokking — als bokking,” zei Kokkie verachtelijk. „Wat is nou een gebakken bokking tegen een gebakken haring.”
„Nee, Cheffie, dat heb je mis. Als je nou zei als zalm. Een gebakken barinkie is het fijnste wat je kan hebben. Het is lekkerder dan biefstuk.”
„Zeker, ik lus ze liever,” zei Maarten geheel ent-housiant.
„Wil jij je mond wel eens houden als de ouderdom spreekt, zwabber,” zei Piet vermanend.
„Laat de jongens ook eens spreken, ze hebben den heelen dag gewerkt,” zei Willem.
„Als d’r wat te zeggen is, ben ik er ook nog.” De schipper, |dit zeggend, keek streng in de rondte en dan : „Is er al voor Klaas boven gezorgd ?”
„Ja,” zei de kok. „Die het voor zichzelf gezorgd. Hij heeft zijn zoodjo mee naar boven.”
„Jantje pas op: d’r komen vetvlekken in je maag !” vermaande Aai.