Een droomer ter haringvangst

Titel
Een droomer ter haringvangst

Jaar
1894

Pagina's
276



180

Dan, staande op de ton, zich bukkend, sloeg hij met den dissel den hoepel vast om de ton tot het deksel hield. Nu bracht Jan hem de boor. Hij sprong van de ton, hoorde een gaatje in het deksel, zette daar een zinken blaaspijpje in en blies in het vat. Waar de vrind uitkwam en een lek zich dus toonde, werd een stukje talk op gesmeerd en de rand binnen rondom, waar het deksel in de gleuf der duigen paste, werd met touw volgestopt. Zoo werd elke ton hermetisch gesloten. Het boorgat werd met een houten spaantje dichtgeslagen op de manier als schoenmakers houten spijkertjes in zolen kloppen.

Het was een druk gehamer — een vroolijk, bedrijvig kloppen. En daartusschen door klonken de roepen :

„Hoepstok — werk — roet 3) —blaaspijp — Maarten — Jan — Maarten !”

De tonnen waren allen dichtgekuipt op één na, die niet geheel vol was gekomen en die aan boord staan bleef.

„Dat noemen we een staartje, Cheffie!”

Jan ging naar beneden, de haring voor’t avondeten braden. De luiken van het dek werden opengemaakt. Piet, de stouwer, en Hein, een ander jong matroos, daalden in het ruim af, en een vijftal anderen namen een stuwtouw, en de volle zware tonnen handig vastmakend, lieten ze de vijftig kantjes in het ruim af, terwijl de voorman het laadwerk leidde, in zijn keel een wijsje zingend:

„’t Zijn allemaal, allemaal boeoeoeoeooren,

Laat zacht maar, zacht maar voeoeoeoeren!”

2) roet d. i. talk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.