179
weer kaken — dat gaat maar altijd door — tot het schip vol is. Dan gaan we naar huis en we blijven drie dagen aan den wal. ’k Wou dat we gauw vol waren” zei Jan.
„Ik ook,” zei Maarten. „Misschien tref ik mijn vader wel weer. Ditmaal heb ik hem getroffen. Ik had hem in geen vier maanden gezien. Hij is ook visscher, ziet u, maar op een andere schuit. Ik heb vijf sigaren van hem gekregen en als ik hem nou weer tref, krijg ik een mes. Mijn moeder was erg blij, toen ze ons weer bij mekaar zag. We hebben ’s middags kalfsvleesch gegeten. Dat had mijn vader gekocht. Dat is lekker, mijnheer, U heeft het zeker ook wel eens geproefd?”
Al pratende was de mand leeg en op een grooten houten schotel lagen de opengebroken haringen.
„Kok te vier en mandjes dicht maken 1” riep de schipper uit de kap van de kajuit; hij had zijn middagdutje gedaan.
„Kok te vier !) en kantjes dicht maken!” riep Maarten in de kap van het vooronder.
De visschers kwamen boven. De deksels der tonnen, allen gemerkt, opdat aan wal nagegaan kon worden wie ze diclitgekuipt had, als wellicht niet goed gekuipt was, werden op de tonnen gelegd.
Maarten had een zak vol geploz.en touw en een stuk reuzel in de hand. Jan een paar dissels, een boor en een aantal kuipershoepels. Elk der visschers nam een ton voor zijn rekening en ging op het deksel staan, tot de opgestapelde haring genoeg ineengedrukt was.
1) vier d. i. vuur, bevel om de pot op te zetten voor de koffie, die tegen vier è. vyf uur wordt gedronken.