178
zal je ervaren of ik mijn vak versta. Dat volk beneden, zie, dat heit geen manieren. Ze zijn al veel te particulier met me. Als deze vaart uit is, ga ik niet meer met dit schip mee. Ze moeten niets van mijn koken zeggen.” Hij ging naar beneden. De drie jongens om een groote trog soep, begonnen op ’t dek hun maal. Bruin, de hond, die zoolang ’t nat op ’t dek geweest was, zich schuil had gehouden onder de kippe-bank, kwam nu te voorschijn en kreeg zijn deel.
Het bleef een paar uur stil op ’t dek ; de bemanning deed een middagslaapje. Doch Maarten en Jan konden niet slapen ; zij hadden een groote mand ongekaakte haringen voor zich, die ze schoon moesten maken voor het avondeten. Ze deden dat op de manier als huisvrouwen versche bokking schoonmaken, de geheele graat van de haring uit het lichaam rukkend, dat ze met de vingers opengetrokken hadden.
„Een jongen heeft nooit rust, mijnheer. Het volk kan slapen. Maar wij hebben altijd werk,” zei Jan.
„En je moet ze goed schoonmaken ook. Want als het niet lekker is, hoor je maar klagen. Ze hebben allemaal lekkere smoeltjes beneden, mijnheer. Je moet ze ’tnaar d’r smaakkie maken, anders hoor je wat!” klaagde Maarten, een graat overboord werpend.
De haring was dik, blank en vet. Het bleeke vleesch schulpte in stukjes om hun vingers.
„Wij tweeën moeten nu uitkijken of er geen schepen in den weg komen. Om drie uur moeten ze beneden weer op. Dan gaan we de kantjes dichtkuipen en in ’t ruim stouwen en nieuwe leege tonnen op het dek brengen. En dan gaat de vleet weer uit, net als gisteren en vannacht gaan we hem weer halen en dan