177
voordek werden tegen de verschansing geschoven — er waren vijftig tonnen gevuld — een middelmatig goede vangst.
„De qualiteit is nu maar zoo zoo,” zei de schipper. „D’r loopen te veel dooien onder.”
Toen er schoon schip gemaakt was, werd de mast weer recht gezet en dan het zeil geheschen en ook de schoot aan de bezaan, die met een reef had gehangen, werd uitgereefd.
„We gaan een beetje verleggen, zie je, Cheffie. ’tls niet goed altijd op dezelfde plaats te blijven vis-schen.”
Toen, het was twaalf uur geworden, ging men naar ’t vooronder. De kok had erwtensoep gekookt; maar daar hij tijdens het kaken niet naar de soep had kunnen kijken, was het eten aangebrand. Dat gaf ontevredenheid onder de visschers. Van twee uur ’s nachts tot ’s middags twaalf uur hadden ze achtereen gewerkt, en nu was het eten nog aangebrand.
De kok kwam geheel verstoord boven; hij zocht zijn troost bij Herman.
„Nou geven ze mij allemaal een compliment. Maar kan ik er voor zorgen, als ik moet kaken. Kan ik op twee plaatsen te gelijk zijn ?”
„Neen, dat gaat niet, Kokkie.”
„U bent redelijk. Maar dat volk beneden is het niet. Ze motten zich maar een keukenmeid aanschaffen. Kook ik niet goed voor een schelling in de week ?”
„Je bent met geen goud te betalen.”
„Jij bent een net mensch, dat heb ik dadelijk gezien. Morgen zal ik pannekoeken voor je bakken. Dan
Een Droomer ter Haringvangst. 12