174
Aai wiep uit het haringruim telkens een schep haring in de mandjes der kakers, roepend den naam van den kaker, opdat deze een weinig op zijn hoede kon zijn en de haring niet tegen zijn gelaat aankwam. Maar desondanks waren hunne gezichten vol gespat met schubben en spatten van het haring ingewand. En bij eiken schep klonk zijn eentonig: Klaas, Piet, Jan, Maarten, Kokkie.
En bij den warrebak, waarin een ander visscher telkens een mand gekaakte haring uitstortte, werd telkens geroepen: „Er in”, en de zouter zijn mandje vullend, antwoordde: „Eruit.” Zoo ging de arbeid geregeld voort; de roepen klonken eentonig over het dek. Men was hard aan liet werk, en soms moedigde de schipper de drie jongens aan, die medekaakten, maar langzamer dan de anderen. „Vooruit, Maarten; pak, Jantje; niet slapen, Gerrit”, en de jongens, moe van het nachtwerk, slaperig, zetten een beetje aan, om dan dadelijk weer te verslappen.
Herman voelde zijn jong lijf krachtig, sterk, nullij het zoo bewegen kon. Hij hield van lichaamsarbeid, maar na een half uur was hij doodmoe en de grove zoutpegels maakten krabben over het teere vel van zijn handen. De schipper bemerkte het.
„Wordt je moe leutel-majoor?”
„Een beetje”, zei Herman. „En ik krijg van het werk zoo’n honger.”
„Dat is de zeelucht, Cheffie. Ik zou maar een beschuitje gaan eten.”
Herman liet het zich geen tweemaal zeggen. Hij klauterde weer langs de krebben terug naar de ton met scheepskaak, waar hij een paar stukken uitnam.