172
bogen kopstuk, dat aan de eene zijde plat omgeslagen is, aan den anderen kant scherp geslepen als een beitel, eenige vaten met zout open. Het was ruw, korrelig zout, eenigszins bruin als basterdsuiker en het voelde nattig, scherp aan. Piet werd geholpen door drie visschers, die evenals hij, de haring in de tonnen zouten zouden. Rondom het middendek, waar de haring lei, gingen de anderen op een plank zitten, die dwars op ’t schip als een bank werd gelegd. Met de hooge zeelaarzen aan, een schootsvel van oliedoek voor, zaten ze zoo beschermd tegen het zeewater en de slijmerige uitscheiding van de haring. Al de haring die oj) het middendek lag, werd met een groote spanen schop door het luik in het ruim geschoven. Daar lag de glibberige, zilverige massa tot hoven aan. Een der visschers, met een schepnet aan een lange steel, haalde dan telkens een net vol haring op en stortte het leeg in een der mandjes, die de mannen, die op de bank zaten, tusschen de knieën hielden, op de manier als baggerlieden de bagger uit het water in de schuit uitschudden, het net naar binnen inslaande. Op de bank zaten de zes kakers; ze hadden om de vingers sokjes van leer of wol om zich bij het kaken niet te snijden; het kaakmesje had een lang houten handvat, waaraan onderaan een groote lus van leer of band was vastgemaakt, die om de pols ging, opdat het mesheft niet uit de hand zou glippen en stevig vast kon gehouden worden. Het lemmet was klein, puntig en zeer scherp. Met de linkerhand werd een haring uit het mandje genomen, zóó, dat de buik boven kwam. Dan, met één ruk, alsof ze een pit uit een aardappel pikten, ging het vlijmscherpe mesje onder