171
„Zal je wel eens recht staan,” zei Kokkie vermanend. „Pas een nieuw velletje voor en daar gaat-ie mee om of-ie het om niet krijgt. Dat kost vijf- en twintig stuivers, mijnheer, je schoeiïng kost een handvol geld. Maar zulke jongens gaan er mee om, alsof d’er moeder de loterij heit getrokken.”
Maarten, grootseh op zijn nieuw, okergeel schootsvel, haastte zich het met zijn mouw schoon te vegen en stapte als een pauw weg.
„Mijnheertje,” zei Jan naar Herman komend, „van avond zal je eens wat proeven. Ik hen koksmaat, niet waar, kokkie ? Ik mag ze bakken, Maarten en ik maken ze schoon.”
Er scheen groote vreugde aan boord in verwachting van de haring. De groote stuurman kwam naar ’t achterdek ; hij keek pijnlijk naar een drietal diepe klooven in zijn groote, dikke vingers.”
„Doen ze pijn, Piet ?”
„Ja, mijnheer, en straks moet ik er mee in ’t zout. Dat brandt als kokend water.”
„Heb je nu geen enkel geneesmiddel daarvoor?” „Neen, mijnlieer. Als ik rust kon nemen tot ze beter waren. Maar dat gaat niet, mijn handen mogen niet stilstaan.”
„De thee is klaar, Schipper !” meldde Jan.
Men ging in ’t vooronder ontbijten.
Herman bleef op ’t dek en at een scheepsbeschuit. Hij ging naar ’t middendek waar de zilveren schat lag en tuurde dan naar de zee, die vrij druk bevaren was. Na een half uur kwamen de mannen weer boven. Op het voordek sloeg Piet met een kuipersdissel, een hamer met een korte steel, en een sikkelvormig ge-