170
haringruim; dan, toen dek schoon was, trokken de vijftien personen — want zoo groot is de bemanning van een haringlogger — hun oliegoed uit en waschten dit af, het horstelend met hoenders, een zwaar werkje, want de schubben kleefden er stevig op vast.
Herman, om de rondspattende droppels te ontgaan, stond een beetje achter den bezaansmast, die hem dekte.
De mannen, 11a het gedane werk moede, bewogen zich nu traag, moeilijk, stijf.
„Van avond gebakken haring met rijst!” zei Herrit, die Willem, den oudsten matroos, hiel]) bij ’t af-wasschen, door een puts zeewater tegen zijn oliejas aan te werpen.
Kokkie kwam naar Herman toe.
„Nou zal je vanavond eens wat proeven; ik zal ze goed smeren met olie. Op de vettigheid mot een mensel 1 leven en teren.”
Hij sloeg voorzichtig zijn leeren mouwtjes op en keek naar de wonden op zijn armen, zette een pijnlijk gezicht.
„Doet het pijn, kok ?”
„Ja, of het. Eerst dat zeewater, dat het heelemaal uitweekt en nou schuren je mouwtjes er langs. Hoe vindt je nu onze uniform. Dit schootsvel noemen we velletje, dit kleine lappie, dat tegen je borst gaat heet een klappie. ’t Is duur goedje.”
Maarten kwam naar Herman toe.
„Van avond een smulletje mijnheer, gebakken haring.” Hij had zijn oliejas reeds uit en droeg nu een nieuw schootsvel van oliegoed. Daarmede leunde hiJ tegen de natte verschansing.