167
De visschers letten niet op hem; zij waren in hun vol bedrijf, gingen geheel in hun zwaar werk op.
Herman liep weer naar het reepruim; daar zat dicht tegen den rand, Maarten, de afhouder, en palmde met zijn dikke handen den kabel in; en beneden in het goudwasemende gat liep Jan, de reepschieter, rond en stuwde den kabel tot een dik kluwen, waarin hij middenin rondging. Het touw lag reeds tot halverhoogte in het diepe ruim.
„Hoe is de vangst, schipper?”
„Vijftig kantjes denk ik, Oheffie.. Er is veel wrak goed bij, die van gisterennacht zijn allemaal kapot. Maar die van vannacht zijn mooi, dik en groot: ’tis een schilderij.” Er sloeg oen haring vlak voor hem neer op den kop van de lier.
„Kijk eens wat eenjongeheer; ’t lijkt wel een makreel.” De schipper hield de haring voor zich uit; het was een groote, slanke, dikke visch met een breeden rug; hij was geheel groen brons op den rug en met zijn oogen wijd open, met grooten angst, spartelde de visch in zijn handen, slank zich ombuigend.
„Ze zeggen, dat een visch geen leven in zijn oogen heeft, maar kijk die sinjeur er nou eens in. Zou je niet zeggen dat-ie weet, dat-ie in ’t zout gaat?”
De schipper had gelijk ; Herman las duidelijk den doodsangst in de wijdopengespalkte oogen. En de schipper liet de haring langzaam op zijn hand sterven ; het bronszilver van het lillend lichaam verkleurde tot staalblauw paarlemoer en werd dan zacht rozig.
„’t Is een zware trek vannacht, Cheffie; de dooie beesten zijn bijna niet uit de mazen te slaan. Wij zijn al van drie uur bezig.”