166
een voet hoog lag, een zilveren brij, waarover het licht der blanke lantaarnen droevig kwijnde.
De maan brak hoog boven in de donkere lucht door de wolken en haar licht zilverde langs de oliejassen en langs de haringen, die paarlemoer verkleurden, brekend in rozige, iriseerende tinten. Ze waren heroïek, de vier krachtige, gehelmde gestalten die de buit der zee opdielven in den goudlichtwasem; de pal klepperde met korte slagjes, de machine beneden gonsde telkens zacht. Hoe meer netten ze introkken, des te dichter zaten de haringen in de mazen, met de puntige snoeten vooruit. Er waren er ook veel van den vorigen nacht, die zich tot bijna halverlijve door de mazen gewrongen hadden. Die gingen er moeilijk uit; dan sloegen de vissehers ééns zoo forsch en soms vlogen er koppen door de lucht, afgerukt van de lichamen of vielen er voor Herman’s voeten haringen neder, wier kop van het slanke lijf was gerukt en die toch het zilveren lichaam nog omkrulden en dan langzaam met kevertjes van de vinnen, verstierven. Soms sprong een haring, die hij al dood waande, met de oogen bloedbeloo-pen en star en de bek wijd open nog een maal op, met een laatste zenuwtrekking en bleef daarna doodstil liggen, zachtjes verkleurend van zilver tot rozig goud.
De vier vissehers in de krebben, stonden tot aan de enkels in de haring; over de koksrol liepen de uitgeslagen leege netten, waar nog enkele haringkoppen in puilden, waarvan de lichamen waren afgeslagen, in de netten-ruimen, waar in het donker de kok zat, die de netten inpalmde. Herman, wat naar voren gaande, zag in het ruim den zuidwester van den kok, matgoud in het licht van de lantaarn.