164
warm in de kajuit en nu was er een vreemde stank van steenkoolrook. Hij stond op, deed zijn jekker aan en ging naar boven. Daar was men aan ’t werk; men haalde de vleet in. De schipper stond achter de kap van de stoomlier en lichtte telkens een kleinen hevel op — dan klonken regelmatig de tikken van de pal, die op het tandrad sloeg. Dicht bij de lier, in zijn oliejas, met zijn zeelaarzen tegen de lier, zat Maarten en trok aan den dikken kabelreep, die met kleine draaiingen van de windas werd ingepalmd. De kabel liep achter hem om in het groote scheepsruim. Herman keek er in; het was door een klein olielichtje vol vage goudglanzen, die langs den gelen zuidwester en de oliejas van Jan, den reepschieter, schemerden. Jan liep in de rondte, altijd trappend tegen de reep, die in de rondte gelegd moest worden, zoodat de kabel rondom zich langzaam ophoogde en Jan in het midden van het reuzenkluwen stond.
Op het dek van het schip stonden links van de krebben, zacht beschenen door het schemer goudlicht van de twee lantaarns, vier matrozen. Zij hadden zuidwesters op en oliejassen aan; hun gelaten waren bleek verguld. Zij trokken het net over de rollen aan stuurboord in en ingepalmde deel stevig aan de zijde vasthoudend, sloegen ze het met krachtige slagen op en neer, alsof ze het stof uit een tapijt klopten. Het net, ter halverhoogte dwars boven het dek, zat vol haringen met de koppen naar boven. En telkens als het net op en neder zwiepte, vlogen de haringen in het rond, boven het net uit, sommigen terzij, waar ze door twee wandjes van netten, de vinkenetten, werden verhinderd over boord te slaan. Enkele haringen vlo-