163
groot verlangen in hem naar ’t land. Hij had van haar gedroomd — het was waar. Maar zijn meissie was het niet en zou het nooit worden ook. Hij had haar in zijn droom gezien, met haar gesproken; zij had hem weerhouden om naar zee te gaan, hij had haar van zich afgestooten, toen was hij ontwaakt. Hij dacht lang aan haar en het waren droeve gedachten, want hij weende.
De goedige trouwe kop van Piet kwam weer voorde kooi.
„Ben je zoo ziek, mijnheer, ’t Is boven zacht weer ; zal ik je wat helpen?”
„Wat gebeurt er nou, Cheffie? Wor je nou opeens een grutter? Je hebt je zoo flink gehouden en nou dat we visschen gaan, laat je opeens je hoofd hangen. Straks vangen we vissies en van avond eten we gebakken harinkies. Dat zal je smaken.”
O, die twee goede, groote kerels met hun medelijdende, zachte koppen vlak bij hem. Ze telden hun eigen leed niet; zij moesten midden in den nacht op en aan het zware werk. En voor zijn klein leedje hadden ze troostwoorden — zijn klein verdrietje van een eerste liefde.
Maarten kwam beneden met een bak met steenkolen, die hij met moeite langs het steenen trapje sjouwde.
De schipper hielp hem; Piet de stuurman trok zijn oliegoed aan. Maarten gaf den schipper, die vuur in den stoomketel van de lier aanlegde, steenkool aan.
Herman viel weer in een sluimering; dan na een poos, werd hij gewekt door een regelmatig tikken van metaal, door gonzen vergezeld. Het was vreeselijk