162
De matrozen (keeren verschrikt terug) Hij is verdwenen .. . een dolfijn slokte hem op !
Nementos: O, mannen, ik heb berouw; laat ons bidden en offeren. Want de góden vloeken het volk, dat zijn dichters in den dood drijft.
„Schipper, ’t is twee uur!”
„Hoe is ’t boven, Maarten?”
„Een gelegenheidje, schipper.”
„Dan gaan we vissclien; kom je kijken, Clieffie. Hé, Cheffie, wordt eens wakker!”
Herman richtte zich op; het was nacht. In de kajuit brandde de lamp nog; het scheen kalm weer, want de zuidwester en de oliejassen slingerden weinig.
„Hè, is dat droomen”, zei hij.
„Heb je gedroomd? Ik dacht het al; je lee zoo te steunen en je hebt een naam genoemd in je slaap”, zei de schipper.
„Welke?” vroeg Herman nieuwsgierig.
„Dat zal je wel weten, Cheffie. En nou weet ik meteen, dat je een meisje hebt ook.”
„Maria?” vroeg Herman.
„Nou, kijk eens, hou je nou maar niet meer leuk, je bent een glad ventje, Cheffie, maar ’t is niet op eigen roem gezeid, schipper Jan heb je zoo gauw niet te pakken.”
De schipper sprong uit de kooi; hij nam een hamer en sloeg een bout uit de-ijzeren deur, die het machine-kamertje van de kajuit scheidde.
Herman was in zijn kussentje teruggevallen. En voor ’t eerst zoolang hij op zee was, kwam er een