161
boek als een poliep; en in hun levens dringen de fijne, bevende sprieten van zijn leven en marmeren rood hun weeke, witte, bloedlooze zielsoppervlakten. En ieder ziet de roode draden van zijn bestaan door het bestaan van het zwakke, lamme volk.
En voor de sterkeren staat zijn nabestaan als een verboden levensboom in een paradijs. En wie de vruchten plukt en er van proeft hij wordt ziende, kennende het goed en het kwaad — maar de tuin der droomen wordt hij door engelen met vlammend zwaard uitgedreven.
Want de dichter is niet wever van droomen maar droom-ontsluieraar.
O dood, omhels mij dan, o dood; hebt gij, mijn koude bruid, niet geheel een leven om mij geboeid? En heb ik u niet altijd bij mij gedragen, diep — in verborgen zijn — u al de donkere kamers geopend, waar de lijken hangen der gedoode illussiën als vermoorde bruiden? O, dood de wind waait mijn purperen overkleed op; mij is het of ik zweef op een wolk van bloed. Vaarwel, o wereld, die nooit mijn wereld was. Vaarwel, o wereld, gezien door oogen van winzuchti-gen, goudverlekkerden, dienaars van maag en buik, van ’t reëele en ’t vernuftige. Mijn heengaan is overgang, mijn sterven is wedergeboorte; dood en donkerte uit het groene golvengraf, ik zweef u tegemoet ; want dood en donkerte en verzinking, mij Arion, dichter bij Gods genade, mij zijt gij leven en licht en oprijzing . ..
Nementos : Red hem, mannen. Schooner leven is nooit gebroken .. .
Een Droomer ter Haringvangst.
11