160
schap; knarsende kennis als roestige kettingen hingt gij, waar mijn kinderwaan guirlanden van witte rozen had gedecoreerd. Ook u, meesters, zing ik niet toe.
O, vrouwen van mijn levensweg. O lonken, o kussen, o min, o schoonheid van welvende lijven — was ik niet uw meerdere? Ging niet hooger mijn levenswit, dan wat gij kondt bieden?
Maar er was er één, die mij altijd nabij was; vriend en bruid, hoorde ik de zachte schred van zijn sleependen gang altijd nevens mij. De te luid jubelende vreugde temperde hij met wijsheid; hij bakende wegen langs afgronden; als ik het leven zag als zachtgroen, ver, veilig land dan zweefde hij daarboven als een donker onheildier — opdat ik in den droom zou weten, dat de werkelijkheid te vreezen is. Het leven ten zoen — den levende tot alsem — ziedaar zijn parool. Aan hem brandde alles — hij, de koude, de verstijvende.
Op zijn sterke schouders leunend, wankelde ik tot de ingangen der valleien, waar de vreugde gesponnen wordt zonder inslag van droefenis en de liefde leeft, wier wezen niet breking is.
O dood, gij altijd nabije vriend en bruid van den wijze, o dood, niet schermende en niet bevreezende en niet zwarte, o dood, wiens prijs onsterfelijkheid, wiens naam opstanding, wiens liefdegave roem is en wiens vernietiging alleen twijfel treft, twijfel, hij de gelaatlooze met duizend maskers, o dood des waarachtigen kunstenaars, gij begin der herleving, u zing ik mijn laatste zangen toe...
Er is een dichter gestorven: men erfde zijn leven in een boek. En dat leven zet zich uit, vertakt zich, zwelt tussehen de menigte. Voor de zwakken is het