157
8e Matroos: Helaas . .. konde ik slechts kruipen zooals ik klimmen kan.
9e Matroos: Heeft hij een vijand; mijn mes is te huur.
10e Matroos: Welke góden wil hij gevloekt; mijn mond is te zijnen dienste.
11e Matroos: Vindt hij vreugd in laster? Die slang houd ik reê.
12e Matroos: Een rijkaard aan boord! Te koop, de waarheid, het oordeel, de eer, het geweten, het hart, de ziel, — en voor een spotprijsje!
De stuurman: Laat ons hem bedreigen; de vrees maakt gul.
Nementos: Ik kende u mijn mannen; welk een groot geluk is toch de rijkdom! Dooden wij daarom Arion en deelen wij zijn schatten. Dan zullen wij voortaan als hij kunnen leven te midden van zoo schoon een wereld!
De matrozen: Leve Nementos.
Nementos en Arion.
Nementos: Zeg mij Arion, zanger van Delphinos, wat is het leven u, gij zoo dubbel rijk?
Arion: Ondanks al — een marteling.
Nementos: En wat dan wel de dood?
Arion: Een verlossing.
Nementos: Is die u zoo lief? Wat is u dan uw kunst?
Arion: ’s Hemels eeuwige zaligheid zich spiegelend in aardsche vergankelijke schoonheid.
Nementos: En wat is de kunstenaar?
Arion: God’s dienaar — der menschen heer.
Nementos: Wat is des dienaars loon?