maar hij verrukt en zalig over zijn welgelukt lied, welks laatste tonen voor hem uitvluchtten naar landen, teerder woninghal dan deze aardesfeer, sprong in zee, in doodsverlangen naar den eigen, vliedenden zwanenzang.
Herman stond op; hij ging in de kajuit, de muziek van zijn droom in zijn ooren. En op den cadans van di' oliejassen en zuidwesters, schuivend op en neer langs den wand en van de golven, die den scheepswand niet natte klotsen schenen te kussen, ging hij schrijven en schreef tot het heel laat was geworden en de schipper al stil te kooi was gekropen, zonder dat hij 't gemerkt had.