152
de doodgevangene of de slecht gezoutene — zie je. „Cheffie, als we nou van nacht halen, dan is de haring, die nou al in de netten zit, niet veel meer waard. Die heeft den heelen nacht in ’t net gezeten en nu den heelen dag; als je de haring niet nog haast levend kaakt, is ze niet lekker.”
Hij werd weer bedroefd, denkend aan zijn slechte vangst, en stond op en zeer onrustig heen en neer loopend van den fokkemast tot de stoomlier voor de bazaan en dan weer terug, met de handen in den zak, zich op de beenen balanceerend langs het dek.
Maar het weer werd steeds kalmer; en tegen den namiddag woei er een zacht zuiderbriesje. De vis-schers kwamen allen aan dek. Eenigen kropen in de schuinstaande jol, aan bakboord op de voorplecht en gingen een netje mazen ; anderen vlochten van touw een matje. Aai knutselde aan een model van een bom, dat hij voor zijn meisje vervaardigde. Willem maakte een paar pantoffels van zeildoek.
Herman voelde bij die rustige bedrijvigheid behoefte ook wat te doen. Hij zou wat gaan lezen.
Gerrit ging met een zwabber naar het kajuitje, dat door Piet werd uitgedweild.
„Wil je Piet eens om een boek vragen? Hij moet er maar een uit het koffertje nemen?”
Gerrit kwam terug met de Muzen van Herodotus. En Herman ging naar de kippebank en zich zoo gemakkelijk mogelijk plaatsend, met de bierton als lessenaar, nu en dan blikkend over het wijde zeevlak in de lichte namiddagsfeer, las hij van Solon en Cresus, van Pythia en Magiërs den ganschen tijd door, niet