„Sielveplé mesjeu !”
Herman nam het aan. Dat was een buitenkansje en hij laveerde naar de vlotenbak.
„Hier heb je mijn mes, mosjeu, ’ zei Piet, hem zijn groot mes toereikend.
En Herman, met zijn schat, schilde het appeltje heel voorzichtig en sneed het in partjes. Maar toen hij het eerste partje in den mond stak, smaakte het naar haring.
„Wat is er, mosjeu? Smaakt het je nou niet?”
„Het smaakt naar haring. Bewaar je de appels in de harington ?”
„Neen, het was een appeltje, dat ik toevallig in mijn wasehzak vond. Daar heeft mijn vrouw het ingestopt voor een verrassinkie.”
Herman rook aan ’t mes. . . daar was de oorzaak.
Piet had zoocven met zijn mes een pekelharing schoongemaakt en stond deze nu uit de hand op te eten.
Herman zette zich tegen de wansmaak in en hij at het appeltje op — dat hem ondanks alles een délice scheen.
De schipper bracht hem op een bord een haring in mootjes. En terwijl Herman daarmede zijn ontbijt deed, vertelde hem de schipper omtrent de haring-soorten. Van die met kuit, die met hom, de iele zonder kuit of hom, die het best was om in te leggen. De vroege kleine jaagharing met groenen, dikken rug — die de beste was. De winterharing, die dik en groot van stuk moest zijn. De kuitzieke haring — gevangen juist voor dat de haring zijn kuit schieten zou. De vrakke haring — dat was de minste soort. Dat was