nabij gestevend was. Het voer op weinig afstand dwars langs den achtersteven der Jeaimette. Herman, op de verschansing staande, zich vastklemmend aan de weeflijnen van de bezaan, zag op bet dek een drietal mannen, met blauwe slaapmutsen op, het gelaat bijna geheel zwart.
„Bonjour, bonjour, bonjour!” riep hij luid, dat zijn stem schalde.
De drie mannen keken verwonderd op ; zij waren niet gewoon door Hollandsche schepen begroet te worden.
„Que la Sainte Yièèèèèrge, vous beniiiiise,” riep Herman, de methode van den schipper nabootsend.
„Merci beaucououououp,” antwoordde een der Fran-sche visschers. En naar zijn stuurboord loopend, hield hij de hand aan 't oor.
„Voila, des petits tonneaux. Est-il arrivéóéééé un malheueueueur ?
„Pas grand’ choooooose. Un vaisseau de Ske'veningk a perdu ses tilets .. .”
Het Fransche schip was reeds voorbij gezeild en Herman verstond niet meer wat de visscher hem over den achtersteven toeriep.
„Wat zei die ?” vroeg de schipper.
„Niet veel zaaks, een bommetje heeft zijn netten verloren !”
„Gelukkig,” zei do schipper, „tenminste geen men-schenlevens naar den kelder.” De bedrukking onder de mannen was geweken ; Kokkie was in 't achteronder afgedaald en kwam nu terug. Hij hield een klein appeltje tusschen de vereelte vingers en met een sierlijk gebaar het Herman aanbiedend :