149
Het punttonnetje, nat, donker, werd op dek gehaald. En op den bodem lazen ze het ingebrande merk: SCH 284.
„Die is van schipper Jan Lagas,” zei Willem.
De schipper keek het na in de scheepsnaamlijst.
Willem had het goed gezegd. Het bomschip Zeewaarts, reeder P. de Niet, te Scheveningen, had averij bekomen in den stormnacht. Was zij vergaan? Of alleen van haar netten geslagen ? Men was in ongerustheid. De andere matrozen kwamen boven, stil, zwijgend, traag. Ze keken met de hand boven het oog naar den einder. Zij schouwden naar de enkele hreeltjes, die buiten het bereik van de Jeannette wegdreven. Ook zagen ze het luik van een ruim drijven. Daar moest iets gebeurd zijn. Er kwam een gedrukte geest onder de bemanning van de Jeannette. De schipper ondervroeg de matrozen, die de wacht hadden gehad. Neen, ze hadden niets gemerkt; een vijftal Engelsche trawlers waren de Jeannette op een afstand gepasseerd — anders niets.
„Dan zal de Engelschman wel weer aan den gang geweest zijn,'’ zei de schipper.
Van verre kwam een klein scheepje met donkere zeilen op de Jeannette toevaren.
„Daar is een Franzoos,” zei de schipper. „Die weet misschien wat. Maar ze verstaan geen Hollandsch. Wil jij eens met ze praten, Cheffie ? Jij kent toch Fransch !”
Het scheepje, nu grooter — een sierlijke, volgetuigde vischkotter van Boulogne sur Mer — kwam nader.
Herman, bij het roer staande, wachtte tot het schip