146
krijg. . hij voleindigde zijn zin niet, maar keek op den barometer.
„Jawel, dat sinjeur staat te draaien als een meermin op de mallemolen. Moet u niet een walsie dansen. Waarom niet, draai jij maar — pas op strakkies neem ik je in je strot en gooi je recht over de beeting hij de vissies, lammeling ...”
De barometer trok zich niets van deze redevoering aan. De schipper lei zijn pruim op de kooirand; met zijn groote laarzen aan, kroop hij te kooi, zonder zijn gewoon „genacht Chefiie.”
Daar lag hij te woelen, onrustig; plotseling richtte hij zich op, vloog de kajuitstrap op, kwam weer terug, onrustiger, woedend op zichzelf.
„Hoe is ’t nou boven?” vroeg Herman, die wakker bleef liggen.
„Rauw, rauw, rauw”, zuchtte hij, „dat is het gevaarlijkste weer voor de drooge vleet. Andere schippers zouden d’r onverschillig onder zijn. Ik kan het niet — bij God ik kan het niet, Cheffie. Je kantoor is er goed voor; als je weggaat, komt je boekhouder eigens aan boord en geeft je particulier de hand, alsof-ie je eigen broer is. En wil je dan terugkomen zonder haring en met averij? Zou jij dat willen, Cheffie?”
Cheffie wou liever met duizend last haring thuis komen.
„Nou val je me tegen, Cheffie. Nou laat je weer zien, dat je niks van de haring begrijpt. Dat had ik niet van je gedacht. Dat is spotten; duizend last — wie brengt er nou duizend last thuis. Oj) het kantoor in Ylaardingen hangt een mooi schilderij met prachtige letters. En weet je wat daar ópstaat? Daar staat