144
zien, toen is ze maar weer weggegaan en ze heit niets geen pret meer gehad en toen ze het thuis vertelde heit ze weer gehuild. Dat is ook gemeen een weesmeisje zoo te behandelen. Zou dat nou allemaal gebeurd zijn, mijnheer? Zou dat schaap nou geen vader hebben? Of niet een oom of een broer die voor d’r waken kon? Ze moesten niet aan mijn zuster komen.”
„Neen, Aai, dat is maar alles zoo voorgesteld. Ik denk wel, dat die juffrouw d’er ouders kende —maar ’t kan ook wel niet zijn. Maar al was ze ook wees zoo treurig als op het tooneel hebben de speelsters het niet.”
„Dan is het ook niet mooi om er mee te spotten, want het is al erg als je je vader of je moeder verliest. Der zijn er in Vlaardingen veel, van wie d’er vader op zee gebleven is. Maar dat is treurig genoeg uit zichzelf en die juffrouw op het tooneel, die zich maar zoo aanstelde, mag hopen dat ze d’r ouders lang houdt.”
De wind was aangewakkerd. Herman huiverde.
De Jeannette schommelde hevig aan haar reep ; er sloegen telkens zeeën over boord. De lucht was geheel donker.
„Nacht Aai, ik ga naar mijn kooi.”
„Nacht mijnheer, slaap wel.”
Herman dook in de kajuitskap. Beneden zat de schipper op de bank tegen het tafeltje. Hij had zijn zeelaarzen aan.
„Hoe is het boven, Cheffie ?”
„Rauw weertje.”
De schipper keek op den barometer en zijn vuist ballend :