140
wasem, die uit liet schijnlicht straalde, dat donker glanzen deed liet bruingele oliegoed.
Herman ging naar hem toe ; hij zocht wat ernstigs, wat dieps hij die sclioone gestalte.
„Die politiemuts die je overdag draagt, is die uitje diensttijd ?”
„Ja, mijnheer. Ik heb op een torpedo-schokker gevaren in mijn militie-tijd.”
„Beviel het je daar?”
„Slecht heb ik het er niet gehad ; het eten was er goed en het is veel helderder dan op een visschers-schuit. De officieren hebben een mooie kajuit ; daar stond een sofa met zij overtrokken, ik zal maar zeggen net als kleine zeetjes. En het eten was er best. Maar ik zou er toch niet in dienst willen blijven—om de koejenatie niet. Je bent jezelf geen baas, je hebt je vrijheid niet. En ze vloeken er zoo. De officieren niet, die zijn netjes, die weten d'er fatsoen te bewaren, maar de sergeants zijn het. Wij, zeejongens, zie je, hebben den naam van vloekheesten te zijn, maar de kindjongens die zijn veel erger. Ik kon er niet tegen, tegen die Godslastering en daarom was ik blij toen ik uitgediend had. Zie je, mijnheer, ze zeggen dat ik onverschillig hen — maar onverschillig inag een mensch zijn, dat is nergens in de Schrift verboden. Maar vloeken wel, en als je sergeant bent, moet je toch je fatsoen kunnen houden. Wat is nou een mensch die zijn fatsoen niet kan houden? Dat is heelemaal niets.”
Aai spoog een pruimpje in liet holletje van zijn hand en wierp het over boord.
„Ik ben nou jongste,” ging hij dan voort. „Ik ver-