141
dien nou drie rijksdaalders in de week. Dat is niet veel, want ik geel’ het allemaal aan mijn moeder. Maar daarvan moet veel af. Daar heb je eerst, watje in je stoppekissie meeneemt. Dat is boter, suiker en tabak. Dan je zeelaarzen — die kosten negen gulden. En je oliejas en je zuidwester en je velletje met het klappie. Daar gaat een geld inzitten, mijnbeer. Maar komende reis ben ik vol matroos, dan heb ik wel negen gulden in de week. Dan ga ik mijn meissie vragen. Zij dient nou in Ylaardingen en zij beeft een aardige spaarpot; dan geef ik mijn moeder kostgeld en het overige leg ik weg tot ik genoeg heb voor de trou-weratie. Wij menschen trouwen vroeg — want dan heb je een beter leven en dan weet je voor wie je werkt en als je thuiskomt, dan eet je vleesch en die dagen aan den wal heb je bet maar goed bij baar. Als wij, ongetrouwde zeejongens, nou aan den wal zijn, dan kleeden wij ons netjes aan — je moet mijn nieuwe pet eens zien, die beeft vijf- en dertig stuivers gekost. En ’s avonds dan loopen we in Ylaardingen de Hoogstraat op en neer — al maar op en neer. Dat doen we zoo allemaal. Dan komen de kindjongens, de kuipers en al die andere grutters en die loopen ons dan met opzet tegen bet lijf om te vechten. Maar wij vechten liever niet, wij houden ons fatsoen. Maar soms, als het te erg' wordt, dan slaan we er een beetje op. Maar niet erg, anders sloeg je ze meteen tegen den grond tot ze bleven liggen, want wat is nou zoon landjongen waard.”
Herman keek eens naar de breede schouders van Aai en naar zijn vereelte, zware banden en hij geloofde Aai op zijn woord.