138
licht uit de twee lantaarns, midden op het schip en het donkere gevaarte van den geteerden mast, neerhangend met de touwen in zachte ronding, van onderen tegen het bruin donker glanzend. En de zee, wat wilder, phosphoriseerde en de wind kreunde langs de weeflijnen en de Jeannette, vastliggend aan haar netten, wiegde zachtjes. De lucht was diep-blauw door het bleekc maanlicht en de wolkenstoeten zeulden voorbij de maan, de randen omkndlend, zilverend en soms kleine wolkjes, voorbij de maan als een satijnen voile, half doorzichtig, — het was zoo schoon en toch zoo dreigend, zoo onheilspellend.
Aai kwam hoven.
„Bent u nog op, mijnheer? Ik heb de wacht — als we achter de vleet liggen, behoeft er maar één op de wacht te zijn. Je kunt nu niet sturen, je moet alleen maar naar schepen uitkijken. Onze lichten zijn nu uit : elk schip kan daaraan zien dat wij de netten hebben geschoten. Als we varen hebben we rechts een groen en links een rood vuur. 1) Daaraan kan je zien of een schip op je toekomt of van je afhoudt. Die vaart nu op ons toe.”
Herman keek naar de aangewezen richting; hij zag in het donker een zacht rood licht, dat op ’t water scheen te dansen. En naar den einder turend, zag hij rondom een kring van witte lichten — hij telde er wel dertig.
„’t Is druk van avond ; het is gezellig op zee,” zei Aai. „Die witte liggen allemaal net als wij achter de netten. Als we nu van nacht maar een goed vangetje hebben. Om twee uur moeten we opstaan. Ik heb tot
1
vuur, d.i. lantaarn