136
De kok was al in ’t vooronder en kookte gort. Gerrit vulde de blikken bierkan niet bier. De vaten werden tegen de verschansing aangezet. De schipper was beneden in de kajuit geweest.
„Alles vastjorren,” beval hij.
Hij was geheel terneergeslagen. Zijn pet stond geheel schuin op ’t hoofd ; hij nam een pruimpje, maar spuwde liet dan weer uit in het holletje van zijn hand en wierp het over boord.
„Daar — ik heb in niks sjenieïgheid !”
„Wat is er, schipper?”
„’k Heb er geen vertrouwen in, mijnbeer. De barometer sukkelt achteruit en om de maan staat een krans. Als de Heer het niet verhoedt, krijgen we stormweer vannacht en dat met een droge vleet. Die leit bol in ’t water, mijnheer, die is onrustig. De reep heeft wat te verduren, als er kwaad weer komt. . . .”
„’t Eten is klaar,” riep de kok.
„Schaften !” riep de schipper.
„Ga je niet mee, schipper?” vroeg de stuurmansmaat, toen de matrozen naar ’t vooronder stormden, hongerig, blij, om nu te kunnen uitrusten.
„Strakjes, ’k heb nog geen trek,” zei bij donker.
Toen, als allen beneden waren, behalve de stuurman, die de lantaarns aanstak, ging de schipper al het werk nog eens na. Hij voelde of de reep goed in de kluis lag; of de tonnen goed gesjord stonden tegen de kabels. Een ton wibbelde ; met een driftigen ruk kantelde hij het vat vaster tegen de verschansing.
Piet zette de twee witte lantaarns op de twee pennen, midden op bet schip, terzijde van de koksrol en bracht er dan één voor aan de plecht.