135
draaide het schip met den kop in den wind. De Jeannette, na /.es dagen wachtens, lag „achter de vleet.”
De zwaarte der netten en van de reep balanceert met het schip en dit ligt aan de netten zoo vast alsof het in zee geankerd ware.
„’t Schip ligt steviger dan aan een paar ankers, Cheffie. Scheveningsche bommetjes schieten als er boos weer op komst is, altijd dadelijk de'vleet uit om veilig te liggen. Die hebben veertig of vijftig netjes — wij hebben er negentig. D’er zit wat geld in.”
De schipper gaf bevel om de zeilen te strijken. Dat ging snel — men verlangde naar rust en werkte daarom vlug. Daarna werd de fokkemast langzaam gestreken, tot hij half schuin boven het dek hing.
„’t Is voor de windvang. Hoe minder wind, hoe liever nu. Want de reep heeft heel wat te verdragen, het schijt hangt er als ’t ware ojt,” onderrichtte de schijtper.
De matrozen, die niet bij het bergen der zeilen waren bezig geweest, hadden op het voordek eenige ruimen opengemaakt, en ze lieschen leege tonnen, om de gevangen haring in te zouten, op. Daarna kwam Piet, de stouwer en Aai, en beiden lieschen eenige zware zoutvaten op. Het was half duister aan boord ; een der visschers zong bij het hijschen een liedje, diep in de keel :
Mijn zuster is er in ’t wit gekleed.
Van een, twee, drie;
Ze laat er zoenen dat ze ’t weet,
Van een, twee, drie....