134
Herman zag in zee langs de reeks der breeltjes die een langen weg in zee vormden en op geregelde afstanden op de golven dansten. Maar het eerste joon met het vlaggetje kon hij niet meer zien.
„’t Is het laatste kwartier, Cheffie.”
Gat aan gat,
Nog drie netton na dat,
Kalf en een koe,
Geef een eindje toe,
Kalf en stier,
Geef de seizing luer.
Maarten zong het zachtjes, nu ook moede. Men was reeds drie uur bezig.
„Uit,” zei Jan, zuchtend.
„Klaar,” zei de Kok, uit het ruim komend.
Scheepsseizing houdt u vast,
Morgen koop ik drie last, ’)
Drie last haring,
Een krebbe met een kading; *}
Schipper en stuurman hip En alle volk er by.
Een kwakkie *) haring op de last, ‘)
Dan slaat de wantnemer vast.
Een kwakkie over de rol,
Dan is de Jcannette gauw vol.
De schipper legde het eind van de reep vast om de stoomlier, die midden op het achterdek stond. Dan werd de reep langs de verschansing, voor de weeflijnen op den boeg gestuwd, tot zij in een diepe gleuf, de „kluis” vast lag. De schipper ging naar het roer,
1) Een last haring cM. 14 tonnen.
2) Kading d.i. extra-ruim.
3) Kwakkie, d.i. extra-vanget,jo.
4) Last, d.i. ruimte tusschen de krebben.