131
„Halve vleet Voor die ’t niet weet”,
zong Maarten. Daarna rolden de bruine netten weer voort over de koksrol; de kok dook op uit het luik rechts en ging toen hij in het tweede nettenruim links.
Jan, de reepschieter, die de zware kabel uit het reepruim omhoog trok, vlak bij Herman, was moede. Het zweet gutste langs zijn gelaat. Herman wilde den jongen helpen en hielp een beetje mede trekken. Dat gaf schik onder de visschers, die zoo stil en ernstig bij hun werk waren.
„Pas op, mijnheer, de reep is warm”, riep er een.
„Nou verdien je de kost. Dat mag ik zien”, zei Willem, de oudste matroos.
„Pas op je handjes, Cheffie. Die zijn daar niet op gemaakt.”
Maar Cheffie hield zich moedig, een kwartier lang. Toen, geheel bezweet, deden zijn rug, zijn schouders en zijn handen hem pijn. Hij hield nog een poosje vol — dan liet hij los.
De visschers hadden pret.
„Je moet meer mosterd eten!” riep Kokkie, zijn goedig kopje met de ringbaard boven het netruim uitstekend, dat het leek of een duiveltje opsprong uit een kistje, waar de kinderen mee spelen.
Maarten, die het zag, trok met een ruk aan het net, dat over de koksrol liep en Kokkie, daarop niet verdacht, viel achterover in het ruim in de netten. Hij kwam ziedend van toom weer overeind, en werd met gelach ontvangen.
„Als ik je straks krijg, apenkop”, zei hij met zijn