126
van den fokkemast, zoowel als de bezaanschoot stonden bol. De Jeannette liep met een gematigde vaart. De schipper zette het roei vast. Daarna kwam hij bij Herman staan, die, zich naast de stoomlier vasthoudend aan den kajuitskap, juist zag in het donkere hol van het reepruim, waarvan het stolpluik was afgelicht. Daar lag de reep, een armdikke kabel, opgerold en vulde het diepe ruim te halver hoogte. Jan, de reepschieter, sprong in het ruim en gaf het begin van den kabel den schipper aan. Hein en Aai, de twee jongste matrozen, brachten van het voordek een aantal puntvormige tonnetjes met aan het eind een lang touw aan, die in de jol lagen. Op het middendek waren aan stuur- en bakboord twee diepe bakken, gelijk met den bovensten rand van de verschansing; deze lagen even eens vol met dezelfde tonnetjes.
„Die tonnetjes,” onderrichtte de schipper, „heeten breels en dat touw er aan heet breeltouw. Zoo'11 breeltje zou, als je in ’t water viel, wel een mcnsch houden. Nu gooien wc een hoop van die hreeltjes in zee en onder aan al die touwtjes, die elk 6 meter lang, binden we de reep. Die hangt dan dwars in ’t water, ’k Zal maar zeggen als een telegraafdaad in de lucht. En aan die reep hangen we met andere touwen, die noemen we seizings en die zijn elk zeven meters lang, weer dwars een touw, dat heet de speerreep, en daarop zijn vierkante stukken kurk gebonden, die noemen we vloten; en vlak tegen die speerreep aan hangen de netten naar beneden 31 meter lang. De onderkant van de netten komt bijna op den zeebodem. De netten staan als het ware reehtojt als een schutting in zee. Nou komen de haringen er aan. Een