125
rekenen, dat je des zomers dicht onder de Engelsche kust begint en dan zak je langzamerhand naar de Hollandsche kust af. ’k Heb van morgen ook al een paar keer gepeild. De barometer staat goed — wij zullen ’t maar eens wagen. Jongens, gooi de vleet eens uit.”
„Hoerab!” riepen een paar matrozen, blij eindelijk aan den arbeid te kunnen gaan.”
„Hoor ze eens hoerahen”, zei Kokkie, die van bakboord ter zij een lange cylindervormige paal losmaakte die tegen de verschansing aanhing.
„Nou begint bet leventje, mijnbeer. Nou zal je eens werken zien. Je mag je wel goed schoeien, want als we haring vangen, vliegen de Schubben overal heen — tot in je eten en je bed vindt ze je. En als je er een in je oog krijgt, moet je opassen of je hebt een ontsteking. En bet dek wordt zoo glad als slijm.” „Wat is dat voor een paal, die je nu draagt?” „Dat is de koksrol; die draait midden op het schip op twee spillen ; de vleet rolt daar over bij ’t uithalen en ’t inhalen. Hij heet koksrol, omdat de kok er altijd voor moet zorgen, dat hij op zijn plaats komt. Ieder heeft zijn eigen werk. Daar heb je nou de schipper. Die smeert nou zijn machine, dat is een heele kunst. Hij moet voor de donkey enden stoomketel zorgen. De kok — dat ben ik — geeft de netten aan uit het nettenruim bij het schieten. De jongens brengen de breeltjes aan — maar ik moet voor mijn baantje zorgen . .. .”
Kokkie zette de rol dwars over bet schip bij do twee licbterpennen. De vijftien man hadden het nu allen volhandig. Er was een Hink briesje en het zeil