127
haring, Cheffie, zwemt altijd vooruit, ze zwemmen nooit naar achteren. Dat komt misschien omdat een haring in zee net is als een haas in een bosch. Allemaal lusten ze ’m graag. De kabeljauwen zijn er dol op en zwemmen met een hoop kameraads achter de haringscholen aan. Nou hangt het net dwars in ’t water; de haringen zwemmen in een school met de snoeten in de mazen. Zoo’n maas is net zoo groot dat er een rijksdaalder door kan. Zoodra merkt de haring dat-ie vastgeloopen is, dan werkt-ie zich nog meer naar voren, tot-ie met zijn kieuwen er doorheen is. Dan kan-ie niet meer voor- of achteruit. Want met zijn dikke buik kan-ie er niet doorheen en als-ie terugtrekt, blijft-ie met zijn kieuwen, die hij door den angst uitzet, als met twee weerhaken vastzitten. Soms werken ze zoo, dat hun kop van hun lichaam scheurt. Tegen den morgen halen wij de netten in en schudden we ze uit — midden op het dek. Dat moest je vannacht maar eens komen zien, Cheffie.”
Op het dek van de Jeannette was, terwijl de schipper Herman deze uitlegging gaf, alles druk aan ’t werk.
De kok had de luiken van het nettenruim gelicht en stapte in het donkere hol rechts. Herman ging er naar kijken ; het net rook naar de taan, waar liet in gekookt was; een scherpe reuk van lijnolie en gutta-percha.
Jan, de reepschieter, had, uit het reepruim het eind van den dikken kabel aan Piet, de stuurman gegeven, die het over stuurboord in zee gooide.
Gerrit bracht van terzij een breel aan, dat niet als de anderen bruin was geteerd, maar rood, wit en blauw was geschilderd. Er was van boven naar onder