123
er meer kijk op had. De beesten motten ook in zijn vleet kruipen, hij kan ze niet met stoom vangen.” „Ben je er niet bang voor, dat je zal verdrongen worden door den stoom ?”
„Bang en hang zijn twee. Wij hebben ook al stoom op de -Jeannette. Zie je daar de donkey :) waar Piet de kap afneemt. Nou, vroeger, en op een heele zooi vischsehuiten nog, hadden we geen stoomlier. Dat ging alles met de hand. Dan kreeg je een man meer mee en met zijn vieren moest je de spil draaien, met je borst tegen de spaken. Dat heb ik tot mijn vier- en twintigste jaar ook moeten doen, mijn borst is er half kapot van. Elk jaar heb ik nu nog de maagziekte er door. En nou, met dat liertje, je zet je kraantje open en je kunt er een sigaartje bij rooken — ’t is een spulletje geworden. Ik ben nou al een half stuk machinist — want ik ken mijn donkey. Verleden reis heb ik er zelf een nieuw pijlglas ingezet. En als de stoom-loggers komen, dan zal ik maar een heele machinist worden. Een mensch moet met zijn tijd meegaan, anders heb je niet te eten.”
„Jan”, riep hij tot den reepschieter, „doe eens een stukkie roet 2) aan ’t lood. Piet, hou je eens even in den wind. We gaan eens kijken hoe diep het is, Cheffie.”
De schipper liep naar bakboord achter, bij de weeftouwen van de bezaan. Jan bracht hem een mandje. Daarin lag in de ronde gewonden een lange, dunne lijn en daaraan vast een zwaar, lang stuk lood. Onderaan was in ’t lood een gat en daarin smeerde de schipper
1) Donkey d. i. stoomlior,
2) Roet d. i. scheepsterm voor talk.