122
knap waren. Hij had liever erwten en boonen gekweekt boven in de dakgoot van bet groote koopmanshuis zonder tuin en meer genot in dier ontbloeiing gevonden dan in al de boekjes van Versluijs bij elkaar.
Herman was even bitter — de wetenschap — bij keek eens naar de liooge lucht met de wolken en bet wijde watervlak en naar de blauwe stip van het schoone fregat en naar de ijzeren stoomboot — de wetenschap — en bij keek in de diepte van ’t ondoor-peilbare water — de wetenschap — en de lucht zoo hoog, zoo diep, en de zon bleek-zilver schemerend door wolken — de wetenschap — neen, hij was er niet voor in de wieg gelegd. Hij hield meer van niet-we-ten, maar veel van schoon voelen. Wat wisten ze allen met elkaar, al die wiskundige vernuftelingen, geldgewin berekenen, de natuurkrachten dienstbaar maken aan hun vindingen, en dan ten slotte toch allen of fragmentarisch levend, of zich deemoedig buigend, na al zoeken en berekenen en ploeteren voor die weinigen, die ’t al door geboorte wisten, dat niet wijsheid en niet verstand en niet vernuft, maar de schoonheid ’s levens doel, de liefde ’s levens stuwkracht is.
„We krijgen nu ook haringschuiten met stoombe-weging. Ik heb gehoord, dat een boekhouder te Vlaar-dingen er een te Boulogne laat bouwen. Het schip krijgt van voren en van achter een schroef,” zei de schipper.
„Die zal dan jelui wel verdringen, die zal de zee wel leegvisschen.”
De schipper lachte luidkeels. „Leegvisschen, Cheffie? De Noordzee? Nou val je me tegen, ik dacht dat je